‘Zomaar iets dat ik lees, een gebeurtenis, waar mijn oog op valt, wat mij overkomt of wat me bezighoudt...’

‘Ofwel van alles en nog wat!’

Op deze pagina:


Archief:



Donderdag 29 juli 2021

Koolmees

O verschrikkelijk,
koolmees;
ik heb jou doodgereden.

Hoor jouw piep,
vlak voordat je,
voor mijn wiel langs vloog,
nu nog.

Schrok je ergens van;
toen je bijna even snel,
weer terug,
de spaken,
van mijn voorwiel in vloog?

Toen ik achterom keek,
lag je daar,
op 't fietspad.

Bij jou gekomen,
leefde je nog,
maar zag,
dat je het niet ging redden.

Ik heb je opgepakt;
bij de muur,
die jou belemmerde,
de struiken in te vluchten,
jouw vleugel gestreeld.

Toen je was overleden,
heb ik je een eindje verderop,
onder het hoge gras gelegd.

Het is mijn schuld.

Ik was,
op dat moment:
29 juli 2021 13:27;
daar:
op die plek:
Heerderweg 70 Epe.

O wil zo graag,
op dat moment,
daar,
niet zijn geweest.



Vrijdag 25 februari 2021

Lodewijk Asscher

Uit ‘Opstaan in het Lloyd Hotel’ van Lodewijk Asscher.

Nooit wegkijken

Als me gevraagd wordt wat me als politicus drijft, dan is het antwoord: zorgen dat ieder mens zo zeker en veilig kan zijn dat hij vrij is. Als je zeker bent van je bestaan, is het beter mogelijk je eigen weg te kiezen. Daarvoor volstaat het niet in algemene zin beleid te voeren om de bestaanszekerheid te verbeteren; je moet ook oog houden voor het daadwerkelijke bestaande onrecht in het nu. Pas als we dat bestrijden ontstaat ook daar ruimte voor vooruitgang.
  Daarom vind ik dat je nooit mag wegkijken van misstanden. Ik herinner me de groeiende woede toen ik me als wethouder van Amsterdam ging verdiepen in de problemen op de wallen. Ik las het rapport van het Amsterdamse Van Traa-team over de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De conclusie was dat de wallen in de greep van de georganiseerde criminaliteit waren gekomen. Nog meer indruk maakte een studie van de PvdA-raadsleden Karina Schaapman-Content en Amma Asante waarin ze akelig precies beschrijven wat zich achter de ramen afspeelde. Schaapman kon daarbij gebruikmaken van haar eigen ervaringen: ze had zelf enkele jaren in de prostitutie gezeten. Ze beschreef dat in een hartverscheurend mooi boek, Zonder moeder. Ze concludeerde dat iedereen die werkte in de prostitutie op een of andere manier beschadigd was. Toen ik hun verhalen op me liet inwerken overviel me een enorme schaamte over wat er in mijn stad gebeurde: het ging over vrouwen die feitelijk slaven zijn, mishandeld worden, vernederd. Over hoe iedereen kon weten dat een klein aantal criminelen de raamprostitutie in handen had en dat de wallen een gouden afzetgebied voor loverboys waren geworden. Tijdens een werkbezoek ontmoete ik een Marrokaans meisje met een Limburgs accent, zonder heupen nog, zo jong. Ze werkte vrijwillig in de prostitutie, zei ze. Ze bleek op de wallen te werken omdat ze een schuld van 40.000 euro aan haar ‘vriend’ moest aflossen. Een andere vrouw kwam uit Zuid-Amerika. Ze had geen eigen woning, geen legale verblijfstatus, niet eens haar eigen telefoon. Ze had ‘too much stress’, zei ze. Veel meer durfde ze niet te vertellen.
  Dit was dus het red light district dat door reisbureau's en de vvv verkocht wordt als een toeristenattractie van internationale allure. Het symbool van de door onszelf zoveel geroemde tolerantie. Hoe konden we in vredesnaam zoiets onder ogen laten gebeuren? Ik besloot de misstanden op de wallen te gaan aanpakken. Ik kreeg veel kritiek. Ze noemden me een zedenmeester. Een apostel van de vertrutting. Ik voerde volgens D66 een ‘war on sex’;pooiers en andere ondernemers in de seksindustrie kwamen in opstand. De gemeente kon rekenen op een flinke juridische strijd als we bordelen gingen sluiten.
  Wat mij trof waren al die verklaringen waarom het niet anders kon. Waarom konden al die critici zich niet in dat Marokkaanse meisje verplaatsen? Voelden ze dan niet zelf de vernedering, onderdrukking die zij moest ondergaan? Geloofden ze nu werkelijk dat de overgrote meerderheid van de vrouwen die achter de ramen zaten dat zou blijven doen als ze werkelijk de keuze hadden?

Bij de kleine schoolstrijd die ik in Amsterdam voerde, kreeg ik te maken met de bestuurders van de scholen. Die zijn in Nederland zelden de bestuurders van één enkele school; meestal zijn ze het van een groot aantal tegelijk. ‘Koepels’ worden die scholen in het jargon genoemd. Toen ik ze op de ondermaatse onderwijs prestaties wees, was de eerste verdediging dat dit niet aan de scholen lag, maar aan de onderwijspopulatie. Ik vond het een teken aan de wand dat ze het woord ‘leerling’ niet gebruikten. Ze hadden een voorkeur voor het abstracte en van elke gevoelswaarde ontdane woord ‘onderwijspopulatie’. Het zei alles over de afstand die ze hadden ten opzichte van de kinderen voor wie ze werkten.
  Ik wilde niet wegkijken toe ik als wethouder cijfers kreeg over slecht presterende basisscholen. Halverwege 2008 stelde de onderwijsinspectie van het ministerie van Onderwijs vast dat de helft van de tweehonderd Amsterdamse basisscholen niet voldeed aan de kwaliteitseisen. In totaal veertig daarvan kwalificeerde de inspectie als zwak tot zeer zwak. Bij nog eens twintig scholen was het gevaar groot dat de kwaliteit zou zakken tot onder de minimumnormen die het ministerie hanteerde. Elke ouder, elke leraar, elke schoolbestuurder, nee iedereen die zich er langer dan tien minuten in verdiept, realiseert zich dat slecht onderwijs juist degene treft die goed onderwijs het meest nodig heeft. Dan heb ik het niet alleen over het belang van goed basisonderwijs, maar ook over het vervolgonderwijs.
  De schoolbestuurders wisten allerlei factoren op te noemen die volgens hen debet waren aan de te lage onderwijsprestaties. Taalachterstanden vanwege het feit dat de ouders uit Marokko, Turkije of andere buitenlanden kwamen. De gebrekkige opleiding van de ouders. Een opvoeding waarin het leren niet wordt gestimuleerd. Cultuur. Het enige waar het níét aan lag was de kwaliteit van het onderwijs. Echt, de scholen waren prima.
  Toen ik vroeg wie van hen dan hun eigen kind naar een van de scholen die ze bestuurden zou zenden, viel er een ijzige stilte.

Lodewijk Asscher, Opstaan in het Lloyd Hotel, tweede druk april 2019.

Lodewijk Asscher. Spraakmakend wethouder van Amsterdam, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, vicepremier, partijleider van de PvdA. Asscher heeft alles meegemaakt in de politiek, van glorieuze opkomst tot boegbeeld in de moeilijke periode die zijn partij doormaakt. Ook priv&eactue; kende hij tegenslag; zijn vader overleed, telg uit de roemruchte Asscher-familie.
In Opstaan in het Lloyd Hotel schrijft Lodewijk Asscher openhartig over zijn persoonlijke en politieke ervaringen. Hij schetst de dilemma’s waarvoor hij zich geplaatst ziet en verbindt deze aan de drijfveren die hem tot een van de meest bevlogen politici van Nederland maken.

Lodewijk Asscher (1974) was partijleider van de PvdA. Eerder verscheen van hem De ontsluierde stad en Nieuw Amsterdam.



Zondag 21 februari 2021

Praatziek

Uit ‘De opgang’ van Stefan Hertmans.

... Ze kan die avond de slaap niet vatten, daar op de slaapbank in de tweede kamer. Ze ligt een tijdlang te woelen, staat dan weer op, slaat haar kamerjas om, gaat aan de tafel met de leeuwenpoten zitten en schrijft die nacht een gebed. Ze typt het de volgende ochtend met twee vingers op haar kleine typemachine over en geeft het niet lang voor haar dood aan Letta.

GEBED

Heer, Gij weet dat ik ouder word en eens oud zal zijn.

Maak dat ik niet praatziek word, en niet in de fatale gewoonte verval te denken dat ik bij iedere gelegenheid en ieder onderwerp iets moet zeggen.

Houd mijn geest vrij van de verleiding om eindeloze details te vertellen, geef mij vreugde om snel tot de kern van de zaak te komen.

Verleen mij voldoende wellevendheid om te luisteren naar de kwalen van anderen.

Verzegel mijn lippen over mijn eigen kwalen, het genoegen ze op te sommen wordt steeds sterker.

Maak dat ik vriendelijk blijf, een verzuurde oude vrouw is een der meesterstukjes van de Boze.

Laat mij nadekend zijn, behulpzaam maar niet bazig.

Als ik denk aan alle wijsheid die vergaard heb, lijkt het jammer, het niet alles te pas te brengen.

Gij weet Heer, dat ik tegen het einde van de weg nog veel vrienden zal nodig hebben.

Ach ons moeder, zucht Letta. Altijd idealist en zichzelf wegcijferend...

Stefan Hertmans, De opgang, 2020.

In de zomer van 1979 trok een huis in het Gentse Patershol de aandacht van Stefan Hertmans. De blauweregen hing bestoft neer, maar de geur trof hem diep en bracht hem terug naar zijn kinderjaren. Hij kocht het pand in een opwelling. Verbijsterend was de ontdekking dat de vroegere bewoner een SS ’r was geweest. Pas nadat Hertmans het huis twintig jaar later had verkocht ging hij op zoek naar wat er zich tijdens de oorlog had afgespeeld. ‘Het is onbegrijpelijk,’ schrijft hij dat, ‘dat alles wat ik toe al had kunnen weten of tenminste toen vermoeden, zo gedachteloos aan mij voorbij had kunnen gaan.’

Langzaam komt Willem Verhulst in beeld, de man die hij wil leren begrijpen, alsook zijn Nederlandse, pacifistische echtgenote Mientje en hun kinderen, van wie de oudste zoon Adriaan een vooraanstaand Vlaams intellectueel zou worden.
Hertmans spreekt met nabestaanden, raadpleegt archieven, vindt intieme documenten. In zijn herinnering loopt hij weer door alle kamers die hij zo lang heeft bewoond. In De opgang komt de lezer huiveringwekkend dicht bij een politiek drama, dat ook een huwelijksdrama was. Opnieuw blijkt Hertmans verbonden met een verhaal dat aan belangrijke historische gebeurtenissen raakt en opnieuw brengt het zijn verbeelding en pen op briljante wijze in beweging.



Zondag 31 januari 2021

Bezit

Uit ‘Voorbij goed en kwaad’ van Friedrich Nietzsche.

   194
De verscheidenheid van de mensen blijkt niet alleen uit de verschillen tussen hun goedereninventarissen, dus hieruit dat zij verschillende goederen begerenswaardig achten en het ook met elkaar oneens zijn over het méér en minder van de waarde, over de rangorde van de algemeen erkende goederen:— het blijkt nog duidelijker uit wat voor hen als het werkelijk hebben en bezitten van een goed geldt. Met betrekking tot een vrouw bijvoorbeeld, dienen voor de meer bescheidene reeds de beschikking over haar lichaam en het seksuele genot als toereikende, bevredigende bewijzen van het hebben en bezitten, een ander ziet met zijn argwanender en veeleisender bezitshonger het ‘vraagteken’, het slechts schijnbare van een dergelijk bezitten, en wenst verfijndere bewijzen, vooral omdat hij wil weten of de vrouw zich slechts aan hem geeft, of dat zij ook wat zij heeft of graag zou willen hebben voor hem opgeeft—: pas dan beschouwt hij haar als ‘bezit’. Een derde echter is ook hier nog niet tot het uiterste van zijn wantrouwen en hebzucht gegaan, hij vraagt zich af of de vrouw, als zij alles voor hem opgeeft, dit misschien onverhoopt voor een fantoom van hem doet: hij wil grondig, en zelfs grondeloos goed gekend worden voordat er zelfs maar sprake van liefde kan zijn, hij neemt het risico zich te laten doorgronden—. Pas dan heeft hij het gevoeld de geliefde volledig te bezitten, als zij zich geen illusies meer over hem maakt, als zij hem om zijn duivelse eigenschappen en verborgen onverzadelijkheid evenzeer liefheeft als om zijn goedheid, geduld en intellect. Díe man daar zou een volk willen bezitten: en alle hogere Cagliostro- en Catilina-kunsten vindt hij voor dit doel geoorloofd. Een ander, met een meer verfijnde bezitshonger, zegt bij zichzelf: ‘je mag niet bedriegen als je wilt bezitten’—, hij is geïritteerd en ongeduldig bij het idee dat het een masker van hem is dat over het hart van het volk gebiedt: ‘daarom moet ik me laten kennen in de eerste plaats mijzelf kennen!’ Onder hulpvaardige, welwillende mensen treft men bijna in de regel de lompe arglist aan waarmee degene die geholpen moet worden eerst tot iets bruikbaars wordt gemaakt: alsof hij bijvoorbeeld hulp ‘verdient, juist naar hun hulp smacht en zich voor alle hulp intens dankbaar, aanhankelijk en onderdanig jegens hen zal betonen,— met deze ingebeelde fantasieën beschikken zij over de behoeftigen als over een eigendom, zoals zij uitsluitend uit een verlangen naar eigendom welwillende, hulpvaardige mensen zijn. Men stuit bij hen op jaloezie als men hun hulp doorkruist of hen vóór is. Ouders maken van hun kind onwillekeurig iets soortgelijks— ze noemen dat ‘opvoeding’—, geen moeder twijfelt er diep in haar hart aan dat zij mèt het kind een eigendom gebaard heeft, geen vader betwist zichzelf het recht het aan zijn begrippen en waardeschattingen te onderwerpen. Vroeger vonden de vaders het zelfs legitiem om naar eigen goeddunken over leven en dood van de pasgeborene te beschikken (zoals bij de oude Duitsers). En als de vader zien de leraar, de stand, de priester, de vorst ook nu nog in iedere nieuwe mens een probleemloze gelegenheid tot nieuw bezit. Waaruit volgt...

Friedrich Nietzsche, Voorbij goed en kwaad, 2015.
Oorspronkelijke titel: Jenseits von Gut und Böse, 1886

Nietzsche doet in Voorbij goed en kwaad (1886) meer dan een poging tot een systematische behandeling van thema’s waarop al eerder, ook in het voorafgaande lyrische Aldus sprak Zarathoestra, werd gezindspeeld. In dit ‘gevaarlijke boek’ worden het kennend subject en de vrije wil als ficties ontzenuwd. Nietzsche legt springstof onder de heersende metafysica, en begrippen als objectiviteit, verantwoordelijkheid en historisch besef worden rigoreus tot hun oorsprong als ‘wil tot macht’ herleid.
Nietzsche maakt ‘een studie van de doorsneemens’ (par. 26) en analyseert de banaliteit (par. 268) om er zich als voorname geest en ‘goede Europeaan’ van te distantiëren. In dit kader introduceert hij het fundamentele onderscheid tussen herenmoraal, met het begrippenpaar ‘goed en slecht’ als expressie van de aristocratische geest, en slavenmoraal als bron van het begrippenpaar ‘goed en kwaad’.
Dat hij zich realiseerde dat zijn filosofische opstelling in een isolement voerde, blijkt uit de beroemde Nazang &lsquoUit hoge bergen’. Nietsche besefte dat zijn filosofie pas in de toekomst ;— rond 2000 ;— op instemmende lezers kon rekenen.

* De helderheid van zijn denken doet ieder ander denken onscherp voorkomen. ;— Giorgio Colli in ‘Dopo Nietzsche’



Zondag 2 februari 2020

Europese Unie

Stukje uit de column ‘Brexit, the most pointless, masochistic ambition in our country's history, is done’.

...

Take a road trip from Greece to Sweden, from Portugal to Hungary. Leave your passport behind. What a rich, teeming bundle of civilisations – in food, manners, architecture, language, and each nation state profoundly and proudly different from its neighbours. No evidence of being under the boot-heel of Brussels. Nothing here of continental USA’s dreary commercial sameness. Summon everything you’ve learned of the ruinous, desperate state of Europe in 1945, then contemplate a stupendous economic, political and cultural achievement: peace, open borders, relative prosperity, and the encouragement of individual rights, tolerance and freedom of expression. Until Friday this was where our grown-up children went at will to live and work.
...

Ian McEwan zaterdag 1 februari 2020 The Guardian.

‘Peace, open borders, relative prosperity, tolerance. Until yesterday this was where our grown-up children went at will to live and work.’



Zaterdag 4 januari 2019

Frankrijk

De onderstaande column van Joseph Roth las ik in het boek ‘In het land van de eeuwig zomer – Reportages uit Frankrijk’.

Onder Franse vlaggen
Neue Berliner Zeitung – 12–Uhr–Blatt, 11 maart 1921

Düsseldorf heeft tot nu toe niet al te zwaar onder de bezetting geleden. De morele impact is veel groter. De stad ziet er met al die Franse vlaggen en kleuren misschien nog niet helemaal als een Franse, maar dan toch als een bezette stad uit. Ik maakte vandaag al een grote tocht door Düsseldorf en Duisburg. Ik gebruikte mijn broodbonnenboekje uit Berlijn als legitimatie. Voor de kunstacademie hadden Franse infanterietroepen hun tenten opgeslagen. Op de markt zag ik als piramides geweren tegen elkaar staan, naast instrumenten van een militaire blaaskapel. Het valt trouwens op dat Fransen vaak muziek gebruiken om steden in te nemen. Van alle troepen die in ü en op mijn weg van mijn Duisburg naar Ruhrfort ben tegengekomen, marcheerde een op de drie op muziek. In de Bismarckstraße – misschien omdat ze zo heet – zijn nogal wat Franse officieren en onderofficieren ingekwartierd. In de Benrather Straße kwam het bijna tot schermutselingen omdat een Franse onderofficier, uiteraard onbedoeld, een winkelruit lichtjes ingedrukt had. De angst van de bezettingstroepen valt in ieder geval meer op dan enige ongerustheid bij de bevolking. Generaal Degoutte komt in Düsseldorf alleen maar op straat onder begeleiding van drie officieren en – dat beweert hij althans nadrukkelijk – van een agent in burger. De poilu’s rusten ’s middags uit aan de oevers van de Rijn, nadat ze op een pleintje in de buurt op wacht hebben gestaan en afgelost werden. Ik heb in Düsseldorf ook al een paar minder fraaie uitingen van gatlikkerij kunnen vaststellen. Een paar doortastende handelaars hebben het niet kunnen laten reclameteksten en uithangborden van Franse woorden te voorzien. Bij alle openbare gebouwen staan wachtposten, net als bij de grote, voorname hotels en bij alle toegangswegen naar de Hofgarten. De commando’s doen hun best om niet al te streng op te treden en gisteren werden zelfs de wegblokkades versoepled, maar kleine tragedies hier of daar zijn toch onvermijdelijk. Ik zag hoe leden van een oudstrijdersvereniging hun oude degens moesten inleveren. Een oude, fatsoenlijke man met een grijze snor pakte alle wapens in om ze naar het stadhuis te brengen. Dat zelfs de grootste antimilitarist niet onberoerd. Het is beledigend om bij het standbeeld van een Europees genie een Marrokaan of een gele Anamiet te zien staan, zelfs voor wie overtuigd is van de minderwaardigheid van het Europese ras – die de oorlog bewezen heeft. Het goederenstation van Düsseldorf is in beslag genomen door en halve lading infanteristen, vij mitrailleurs en twee tankwagens. De plotse verschijning van een tank of een kanon terwijl kindereen gemoedeljk zitten te spelen en vrouwen met een boddschappentas aan de arm de situatie van de wegblokkades en paspoorten bespreken, komt bespottelijk en grotesk over. Zo veel kanonnen en tanks, zo veel tot de tanden gewapende soldaten en dan ook nog al die militaire oefeningen die op mijn tocht in de omgeving van Düsseldorf, Duisburg en Mülheim heb gezien, doen de indruk ontstaan dat er in ieder geval strateigische of praktische en wie weet zelfs politieke plannen moeten bestaan om een nog veel groter gedeelte van het insdustriegebied te bezetten. Een strikte grens tussen drie of meer steden is geografisch gezien trouwens nauwelijks realiseerbaar. Dat lijkt te worden bevestigd door de grote ongerustheid die zich sinds gisteren ineens meester maaakt van de industriëe kringen. De firma’s Thyssen en Stinnes, die in Mülheim gevestigd zijn, treffen voorbereidingen, en onder de bevolking doet het nieuws de ronde dat Thyssen zou zijn vertrokken. Ook in de omliggende dorpen is de onrust toegenomen. Soms steken de wildste geruchten de kop op over patrouilles die men her en der gezien zou hebben, vooruitgeschoven posten en dat soort zaken. Het komt ook voor dat een Franse soldaat of zelfs groepjes soldaten per ongeluk of uit overmoedigheid naar de onbezette steden uitzwermen. En het schijnt dat er een grote Belgische troepen in aantocht is. Iemand van de Franse bezettingsmacht wist met te zeggen dat het sowieso de bedoeling is de macht in de drie steden aan de Belgen over te dragen. De eerste Belgische generaal is vandaag blijkbaar al aangekomen. Gisteren zijn in Duisburg verschillende bataljons Belgische artilleriesoldaten binnengetrokken. Vanuit Hamborn rukt de Belgische cavalerie op, blijkbaar om de controle van de wegblokkades over te nemen.

Vertaling Els Snick

‘Das bin ich wirklich; böse, besoffen, aber gescheit.’
(tekening door Mies Blomsma, Parijs, november 1938).



Zondag 3 juni 2018

Het Westen

Fragment uit ‘Valaki más’ van Imre Kertész.

Pagina 116 t/m 119.

Opeens moet ik terugdenken aan de apocalyptische regenbuien van het afgelopen voorjaar. Aan die plaats op de autosnelweg tussen Venetië en Milaan, waar ons elke dag een wolkbreuk wachtte, als een noodlottig rendez-vous. Aan de zondvloed op de ringweg van Klagenfurt, aan de oudtestamentische duisternis ’s middags. Achter de met regenwater ovespoelde voorruit M.'s ongelovige, geconcentreerde gezicht, waarop de rode remlichten werden weerspiegeld van de dinosaurushoge vrachtwagen voor ons. En aan de watermassa die niet druppelsgewijs maar samengekleefde bundels omlaag kwam op een windstille, mistige nacht in Nickelsdorf, waar een Oostenrijkse grenssoldaat ons dwong de beschutting van de auto te verruilen voor de slagregen, alleen omdat M. een paar meter te ver was doorgereden in plaats van bij het grenskantoor te stoppen. Zelf bleef hij wippend op zijn laarshakken onder het afdak schuilen, stond ons schreeuwend te woord en versperde ons de weg, zodat we in de regen moesten blijven staan en drijfnat werden. En die keer in Basel — was het daarna of daar of daarvoor? —, toen ik op een drafje de tram trachtte te halen terwijl de regen via mijn kraag in mijn kleren droop en mijn schoenen sopten. Het overdonderend rijke museum voor schone kunsten in Basel. Voor de schouwburg een vijver met een mobile: een zich manisch bewegend, waterspuwend, waterslikkend, watertoemetend, watergietend, in water wentelend apparaat, dat een verpletterende aanblik biedt; het restaurant met uitzicht op de Rijn; het handig gemaskeerde hedonisme, de bedreigende rijkdom. Die rijkdom zal worden verdedigd — dat merk je voortdurend. De bonte menigte waartussen ik me bevind, zal haar verdedigen in ruil voor de brokken die van de tafels van de rijken vallen. Ze zal verdedigd worden door de uit alle richtingen toegestroomde nomaden, wier aanwezigheid overal merkbaar is achter coulissen van deze gereserveerde, elegante stad, zoals men algen aantreft onder een glinsterende waterspiegel. Voor mij ligt een brief van Cioran aan Dieter Schlesak: Voor het westen komt onvermiddelijk de dag dat het door zijn gastarbeiders zal worden overheerst. De toekomst behoort altijd aan de slaven en de immigranten... Heel West-Europa heeft zich op die verdediging voorbereid, maar de verdedigers bij uitstek zijn de Oostenrijkers, die men de zo ver mogelijk naar het oosten opgeschoven wachtposten van het Westen zou kunnen noemen. Niemand vraagt zich echter af wat er behalve geld eigenlijk te verdedigen valt (de westerse cultuur, die al lang niet meer bestaat?). Overigens levert de manier waarop het Westen zich verdedigt meer schade op dan effectieve bescherming, zodat de restanten van zijn cultuur nu ook teloor dreigen te gaan. De op claustrofobie lijkende angst van West-Europa zal een nieuwe Adolf Hitler (dat wil zeggen superioriteitswaan van de inferieuren) baren. Weer zullen de bezitters van geld en macht de volledige neergang van de maatschappij dulden om te reden wat er te redden valt, en weer zullen totalitarisme en andere maatschappelijke ellende aanvaarden om aan hun dreigende vernietiging te ontkomen. Maar wat voor ontkomen zal dit zijn en wat voor totaliterisme? Wie zal kunnen beweren dat deze gevaarlijke ideologieën iets idealistisch hebben, iets wat nog niet is uitgeprobeerd en niet mislukt? Er schiet me een (bij wijze van uitzondering droge en zachte) nacht in Solothurn te binnen, en ook een toevallige ontmoeting met een Zwitserse auteur. Hij bracht me over een sprookjesachtig plein naar een sprookjesachtige kroeg en expliceerde me in die sprookjesachtige Hans-en-Grietje-omgeving met een door alcoholgebruik ietwat scheefstaande ogen dat het facisme — dat ditmaal niet in Duitsland zal beginnen — weldra de overwinning zal behalen en overal zal heersen... Bijna een halfuur lang sprak hij zo, totaal verbitterd, en ik deelde zijn mening ten volle. Daarna maakten wij, vier rondzwervende literatoren die door een worp van het toeval bijeengebracht waren, een lange wandeling door de milde nacht, tussen de onwaarschijnlijke coulissen van Solothurn, totdat het de Zwitserse schrijver te veel werd. Achter de gevels van die middeleeuwse, barokke en rococo huisjes woont niemand, legde hij uit, want die woningen zijn onbetaalbaar; ze bieden alleen onderdak aan kantoren, banken en vertegenwoordigers van schatrijke bedrijven... Ik had op dat moment het gevoel dat de wereld al bijna bezweken was onder al die leugenachtigheid en nog slechts op de genadestoot wachtte, die ze echter door omkoping, kolossale sommen smeergeld en verwarde gebaren en woorden steeds weer op het laatste ogenblik wist te voorkomen, beter gezegd, uit te stellen. Als ze echter ooit, één enkele keer, het geld niet meer op kan brengen...

Imre Kertész, Ik, de ander, 2001.
Oorspronkelijke titel en uitgave Valaki más
(Magvetö, Boedapest 1997)

‘Wat is er eigenlijk veranderd door de ‘Grote Verandering’? Ik heb mijn persoonlijke vrijheid teruggekregen — de deur van de cel waarin ik veertig jaar lang gevangen heb gezeten is opengegaan, en misschien is dit feit al voldoende om me in verwarring te brengen. Je kunt de vrijheid niet ervaren op de plaats waar je geknecht bent.’
     Na de omwenteling in Hongarije treedt de schrijver uit zijn besloten bestaan naar buiten in een geheel nieuwe, onbekende wereld, die vraagt om een heroverweging van alle grote levensvragen: Auschwitz en de cultuur, vrijheid en de moderne tijd — en uiteindelijk de zin van het menseijke bestaan.
     In Boedapest, Berlijn, München, Hamburg, Tel Aviv en Amsterdam beleeft hij de verwondering van de denker die zichzelf waarneemt en met een schok ervaart: Ik is een ander.

Imre Kertész (Boedapest 1929) werd in 1944 naar Auschwitz gedeporteerd en in 1945 uit Buchenwald bevrijd. Zijn literaire werk kon lange tijd niet in Hongarije worden gepubliceerd. Hij hield zich in leven als vertaler van onder andere Freud, Nietzsche en Wittgenstein. De laatste jaren geldt Kerész als een van de grootste Europese schrijvers van deze tijd en worden zijn boeken overal ter wereld vertaald.